Latijnse spreuken en hun verhaal
Pecunia non olet (Geld stinkt niet)
Keizer Vespasianus (9 na Chr. - 79 na Chr.) stelde in Rome een
belasting in op het gebruik van openbare toiletten. Daarbij liet
hij soldaten de tonnen met urine bewaken, om ze door te verkopen
aan leerlooiers die de urine gebruikten bij hun werk. Toen zijn
zoon hierover opmerkte dat dit gedrag een keizer onwaardig was,
liet Vespasianus hem aan een handvol goudstukken ruiken en stelde
de vraag: 'Stinkt dit?' Zo ontstond het gezegde 'Geld stinkt
niet'.
Alea jacta est (De teerling is geworpen)
Toen de Romeinse generaal Julius Caesar na een veldtocht met zijn
leger naar Rome terugkeerde, hoorde hij onderweg dat hij
ontslagen zou worden. Caesar moest volgens een oude afspraak zijn
leger ontbinden vóór hij het riviertje de Rubicon over zou
steken. Op overtreding van deze regel stond de doodstraf. Caesar
besloot om de afspraak te negeren en een burgeroorlog tegen de
Romeinse regering te beginnen. Bij het oversteken van de rivier
zei hij: 'Alea jacta est', waarmee hij bedoelde dat er geen weg
meer terug was.
Errare humanum est (Vergissen is
menselijk)
Dit gezegde is afgeleid van een uitspraak van de Romeinse
redelaar Cicero. Letterlijk vertaald zei Cicero: 'Ieder mens kan
zich vergissen, maar alleen een gek blijft in zijn vergissing
volharden.' De volledige spreuk luidt dan ook: 'Errare humanum,
persevare diabolicum.' Uit welbegrepen eigenbelang laten degenen
die zich vaak vergissen het tweede deel liever weg.
Uit: Het grote boek van de kleine feiten

